Klokkenluidersregeling

1. Preambule

Deze regeling draagt eraan bij dat zorgorganisaties zorgvuldig omgaan met een vermoeden van een onregelmatigheid of misstand. In deze regeling komt tot uitdrukking dat melders (werknemers en anderen die in een contractuele relatie tot OCRN staan) van potentiële onregelmatigheden of misstanden die te goeder trouw handelen, bescherming verdienen, zonder daarbij geschaad te worden in zijn of haar rechtspositie.

Met de toepassing van deze regeling geeft OCRN uitvoering aan artikel 2.5.2. van de Governancecode Zorg die sinds 1 januari 2017 van kracht is. Met deze regeling wordt invulling gegeven aan de opdracht tot het toepassen van een meldings- en klokkenluidersregeling, met als doel bij te dragen aan de verbetering en zo nodig tot correctie van het eigen functioneren van de zorgorganisatie. Voor OCRN is een voorziening voor het intern melden van vermoedens een belangrijk instrument om zo nodig haar verantwoordelijkheid te nemen. Een goede regeling draagt daarmee bij aan een open organisatiecultuur waarin de medewerkers trots zijn op hun organisatie en daar loyaal en respectvol mee omgaan.

Bij het opstellen van deze regeling is rekening gehouden met de verwijzing in de Code naar de bouwstenen van de “Verklaring inzake het omgaan met vermoedens van misstanden in ondernemingen” van de Stichting van de Arbeid (publicatienummer 1/10 d.d. 3 maart 2010). Deze regeling sluit tevens aan op de Wet Huis voor klokkenluiders (wet HvK) die op 1 juli 2016 in werking is getreden. Voor de volledige wettekst, zie: http://wetten.overheid.nl/BWBR0037852/2018-06-13.

Op basis van de WOR geldt een instemmingsrecht van de Ondernemings Raad voor deze regeling.
 

1.1. Bescherming van de melder (veilig melden)

OCRN heeft geregeld dat haar medewerkers op een veilige wijze binnen de organisatie onzorgvuldigheden en incidenten kunnen melden. ‘Veilig’ betekent dat de melding niet mag worden gebruikt om maatregelen te nemen tegen de melder of tegen andere betrokkenen bij het incident. Als medewerkers van OCRN de ‘veiligheid’ van het maken van een melding (gericht op kwaliteitsverbetering) niet ervaren, zou dit ertoe leiden dat ze minder gauw bereid zijn een melding te maken, hetgeen van negatieve invloed is op de kwaliteit van de zorg. 

Bij OCRN wordt een cultuur nagestreefd waarin hulpverleners en andere medewerkers zich bewust zijn van het risicovolle karakter van de werkzaamheden die plaatsvinden bij OCRN en waarin zij bereid zijn incidenten te melden en te bespreken, om daarvan te leren. Het meldingssysteem is ingericht op een zodanige wijze dat de rechten van de cliënt zijn gewaarborgd. Hoewel OCRN formeel gezien niet onder de Wkkgz valt, maar onder de Jeugdwet, kiest OCRN er toch voor om te voldoen aan de eisen voor een meldprocedure zoals die in de Wkkgz zijn omschreven. Op basis van de Wkkgz moeten zorgaanbieders een interne werkwijze hebben die regelt hoe meldingen kunnen worden gedaan. In de Wkkgz staat op drie plaatsen iets geregeld over incidenten: 
  1. alle incidenten moeten worden opgenomen in het systeem van veilig incident melden, met het doel om daarvan te leren (artikel 9); 
  2. incidenten die merkbare gevolgen voor de cliënt hebben of in de toekomst kunnen hebben moeten aan de cliënt worden gemeld en daarvan moet aantekening worden gemaakt in het cliëntendossier ( artikel 10); 
  3. incidenten die hebben geleid tot de dood of ernstige gevolgen voor de cliënt moeten aan de IGZ gemeld worden als calamiteit (artikel 11).
Zorginstellingen zijn vrij om hier zelf invulling aan te geven. Zie verder paragraaf 9.1. voor bescherming van de rechtspositie van de melder omtrent de klokkenluidersregeling.
 

2. Artikel 1: Definities

In deze regeling wordt verstaan onder:
  • werknemer: de werknemer die krachtens arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht of publiekrechtelijke aanstelling arbeid verricht of heeft verricht dan wel degene die anders dan uit hoofde van een arbeidsovereenkomst arbeid verricht of heeft verricht ten behoeve van een zorgorganisatie.
  • een vermoeden van een misstand: het vermoeden van een werknemer dat binnen de zorgorganisatie waarin hij werkt of heeft gewerkt of bij een andere (zorg)organisatie indien hij door zijn werkzaamheden met die organisatie in aanraking is gekomen, sprake is van een misstand. Voor zover:
    • het vermoeden gebaseerd is op redelijke gronden, die voortvloeien uit de kennis die de werknemer bij zijn werkgever heeft opgedaan of voortvloeien uit de kennis die de werknemer heeft gekregen door zijn werkzaamheden bij een ander bedrijf of andere organisatie, en
    • het maatschappelijk belang in het geding is bij:
      • een (dreigende) schending van een wettelijk voorschrift, waaronder een (dreigend) strafbaar feit,
      • een (dreigend) gevaar voor de volksgezondheid,
      • een (dreigend) gevaar voor de veiligheid van personen,
      • een (dreigend) gevaar voor de aantasting van  het milieu,
      • een (dreigend) gevaar voor het goed functioneren van de openbare dienst of een onderneming als gevolg van een onbehoorlijke wijze van handelen of nalaten,
      • een (dreiging van) bewust onjuist informeren van publieke organen,
      • een (dreigende) verspilling van maatschappelijke/collectieve middelen,
      • (een dreiging van) het bewust achterhouden, vernietigen of manipuleren van informatie over de onder i tot en met vii  genoemde feiten;
  • melder: de werknemer die conform deze regeling een melding van een vermoeden van een  misstand doet;
  • Raad van Bestuur: degene(n) die is (zijn) benoemd als (lid van) het bestuur van de zorgorganisatie;
  • Raad van Toezicht: degenen die zijn benoemd als lid van de Raad van Toezicht van de zorgorganisatie;
  • adviseur: de adviseur is iedere natuurlijk persoon die het vertrouwen van de melder geniet en op wie uit hoofde van zijn beroep of ambt een geheimhoudingsplicht rust omtrent het aan hem/haar gemelde;
  • vertrouwenspersoon: diegene die door de Raad van Bestuur is aangewezen om als zodanig voor de zorgorganisatie te fungeren en van wie intern bekend is gemaakt dat hij of zij als zodanig fungeert; dit kan een interne en/of externe vertrouwenspersoon zijn.
  • externe derde: iedere organisatie of vertegenwoordiger van een organisatie die naar het redelijk oordeel van de melder het meest in staat mag worden geacht direct of indirect de vermoede misstand te kunnen oplossen of te doen oplossen en derhalve het meest in aanmerking komt om de externe melding van het vermoeden van een misstand bij te doen;
  • Huis: Huis voor klokkenluiders als bedoeld in artikel 1 sub a van de Wet Huis voor klokkenluiders;
  • Afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders: de afdeling advies van het Huis, bedoeld in artikel 1 sub c van de Wet Huis voor Klokkenluiders;
  • Afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders: de afdeling onderzoek van het Huis, bedoeld in artikel 1 sub c van de Wet Huis voor Klokkenluiders.
 

2.1. Toelichting: centrale begrippen

  • In de regeling staat één begrip centraal: het vermoeden van een misstand. Bij een misstand is het maatschappelijk belang in het geding;
  • De regeling gaat uit van het principe dat de melder in beginsel intern melding doet;
  • De mogelijkheid tot externe bekendmaking, het zogenaamde klokkenluiden, is voorbehouden aan de categorie ernstige immorele praktijken met een groot maatschappelijk belang. De externe melding van het vermoeden van een misstand gebeurt niet toevallig of met het oogmerk van eigen belang: de klokkenluider heeft nadrukkelijk de bedoeling de noodklok te luiden om de gemeenschap te waarschuwen voor een specifieke, acute of dreigende misstand. Met de openbaarmaking dient de klokkenluider aldus het algemeen belang. Deze externe melding vindt op proportionele wijze plaats aan personen of organen die met het oog op effectief ingrijpen, het meest in aanmerking komen. Daarbij dient de melder de klokkenluidersregeling in acht te nemen;
  • Het is overigens, behoudens een aantal wettelijke verplichtingen, voor werknemers niet verplicht om het vermoeden van een misstand te melden;
  • Met de invoering van de Wet Huis voor Klokkenluiders is tevens een Afdeling onderzoek ingesteld, die externe meldingen ontvangt en beoordeelt.
 

3. Artikel 2: Informatie, advies en ondersteuning voor de medewerker c.q. melder

  1. De werknemer c.q. de melder kan een adviseur in vertrouwen raadplegen over een vermoeden van een misstand en zich desgewenst door deze adviseur laten vertegenwoordigen;
  2. Ter zake het vermoeden van een misstand kan de werknemer c.q. de melder de vertrouwenspersoon verzoeken om informatie, advies en ondersteuning inzake het vermoeden van een misstand. De vertrouwenspersoon functioneert met gezag, geloofwaardigheid en is in die hoedanigheid onafhankelijk van (de leiding van) de zorgorganisatie;
  3. Indien de vertrouwenspersoon een werknemer c.q. melder is die in dienst is van de zorgorganisatie, dan is op de vertrouwenspersoon de rechtsbescherming van artikel 21 van de Wet op de ondernemingsraden van toepassing;
  4. Ter zake het vermoeden van een misstand kan de werknemer c.q. de melder de Afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders verzoeken om informatie, advies en ondersteuning inzake het vermoeden van een misstand.

4. Artikel 3: Interne melding

  1. Tenzij sprake is van een uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 7 lid 2 van deze regeling, dient de melder de melding van een vermoeden van een misstand binnen de zorgorganisatie waarin hij werkt of heeft gewerkt of bij een andere (zorg)organisatie, intern te melden bij de Voorzitter van de Raad van Bestuur volgens de in deze regeling beschreven interne procedure of te melden bij de betreffende andere (zorg)organisatie conform de daar geldende klokkenluidersregeling;
  2. Indien de melding van een vermoeden van een misstand het functioneren en/of het handelen van de Raad van Bestuur betreft, vindt deze plaats aan de Voorzitter van de Raad van Toezicht van de (zorg)organisatie;
  3. De melder kan het vermoeden van een misstand ook intern melden via de vertrouwenspersoon van de (zorg)organisatie.

5. Artikel 4: Vastlegging van de interne melding

  1. De melder doet de melding schriftelijk bij de Voorzitter van de Raad van Bestuur, en in geval lid 2 van artikel 3 van toepassing is, de Voorzitter van de Raad van Toezicht;
  2. Indien de melder de melding van een vermoeden (deels) mondeling doet bij de Voorzitter van de Raad van Bestuur, en in geval lid 2 van artikel 3 van toepassing is, de Voorzitter van de Raad van Toezicht, draagt deze, in overleg met de melder, zorg voor een schriftelijke vaststelling hiervan en legt deze vastlegging ter goedkeuring en ondertekening voor aan de melder. De melder ontvangt van de schriftelijke vastlegging een afschrift;
  3. De Voorzitter van de Raad van Bestuur respectievelijk van de Raad van Toezicht stuurt binnen één week na ontvangst van de melding een ontvangstbevestiging aan de melder. In de ontvangstbevestiging wordt gerefereerd aan de oorspronkelijke (mondelinge) melding;
  4. Indien de melder de melding van een vermoeden van een misstand doet via de vertrouwenspersoon, stuurt de vertrouwenspersoon de melding, in overleg met de melder en op de wijze zoals met de melder is overeengekomen, door naar de Raad van Bestuur, en in geval lid 2 van artikel 3 van toepassing is, de Voorzitter van de Raad van Toezicht, met vermelding van de ontvangstdatum. Indien de melder de melding van een misstand (deels) mondeling doet, draagt de vertrouwenspersoon, in overleg met de melder, zorg voor een schriftelijke vastlegging hiervan, en legt deze vastlegging ter goedkeuring en ondertekening voor aan de melder. De melder ontvangt van de melding en de schriftelijke vastlegging hiervan een afschrift. 
 

6. Artikel 5: Vertrouwelijkheid melding en identiteit van de melder

  1. De Raad van Bestuur, respectievelijk de Raad van Toezicht en/of de vertrouwenspersoon draagt/dragen er zorg voor dat de informatie over de melding zodanig wordt bewaard dat deze fysiek en digitaal alleen toegankelijk is voor degenen die bij de behandeling van de melding betrokken zijn;
  2. Al degenen die bij de behandeling van een melding betrokken zijn, maken de identiteit van de melder niet bekend zonder uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de melder en gaan met de informatie over de melding vertrouwelijk om;
  3. Indien het vermoeden van een misstand is gemeld via de vertrouwenspersoon en de melder geen toestemming heeft gegeven zijn identiteit bekend te maken, wordt alle correspondentie over de melding verstuurd aan de vertrouwenspersoon en stuurt de vertrouwenspersoon dit onverwijld door aan de melder.
 

7. Artikel 6: Standpunt

  1. Nadat de melding is gedaan, verricht de Raad van Bestuur respectievelijk de Raad van Toezicht een zorgvuldig onderzoek naar het gemelde vermoeden van een misstand. Tijdens het onderzoek zal de Raad van Bestuur de melder horen;
  2. Indien de melder de melding bij de vertrouwenspersoon heeft gedaan en de melder zijn of haar identiteit niet bekend wil maken, dan kan de Raad van Bestuur respectievelijk de Raad van Toezicht haar vragen schriftelijk aan de melder stellen via de vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon zal de vragen doorgeleiden aan de melder die de vragen schriftelijk en  anoniem kan beantwoorden. Vervolgens zal de vertrouwenspersoon de antwoorden op de vragen anoniem doorgeleiden aan de Raad van Bestuur respectievelijk de Raad van Toezicht;
  3. Binnen een periode van acht weken vanaf het moment van de interne melding, wordt de melder door de Raad van Bestuur respectievelijk door de Raad van Toezicht of vertrouwenspersoon schriftelijk op de hoogte gesteld van het inhoudelijk standpunt omtrent het gemelde vermoeden van een misstand. Daarbij wordt tevens aangegeven tot welke stappen de interne melding heeft geleid. Het standpunt wordt geformuleerd met inachtneming van het eventueel vertrouwelijke karakter van de te verstrekken (bedrijfs)informatie en de terzake geldende wettelijke bepalingen, zoals privacyregelgeving;
  4. De Raad van Bestuur respectievelijk de Raad van Toezicht zal in een gesprek met de melder dan wel de vertrouwenspersoon het inhoudelijke standpunt omtrent het gemelde vermoeden van een misstand toelichten en de melder in staat stellen hierop te reageren;
  5. Als het standpunt niet binnen acht weken kan worden gegeven, wordt de melder door de Raad van Bestuur respectievelijk door de Raad van Toezicht of door de vertrouwenspersoon hiervan voor het verstrijken van de periode van acht weken schriftelijk in kennis gesteld. Daarbij wordt aangegeven binnen welke termijn de melder het standpunt tegemoet kan zien. Deze aanvullende termijn mag maximaal vier weken bedragen.
 

7.1. Toelichting bij Artikel 4 t/m 6 

7.1.1. Rol Raad van Bestuur/Raad van Toezicht

Het vermoeden van een misstand betreft aangelegenheden van een zodanige ernst, dat die tot de verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur behoren. Daarom vindt de melding in principe aan de (voorzitter van de) Raad van Bestuur plaats.

De zorgorganisatie kan overwegen om iedere leidinggevende die binnen de organisatie hiërarchisch een hogere positie bekleedt dan de melder, ook als functionaris aan te wijzen waar het vermoeden van een misstand kan worden gemeld. Voor deze leidinggevende geldt dat hij niet zelf de melding beoordeelt, niet zelf klachten behandelt,  geen uitspraken doet en geen sancties kan opleggen. De direct of hogere leidinggevende dient de melding in overleg met de melder en op de wijze zoals met de melder is overeengekomen, door te geven aan de Raad van Bestuur.

In deze regeling is er niet voor gekozen om ook iedere leidinggevende als meldingsinstantie aan te wijzen, omdat het vermoeden van een misstand altijd tot de verantwoordelijkheid van de Raad van Bestuur behoort en daarom rechtstreekse melding de voorkeur heeft. Voor melders die zich niet rechtstreeks tot de Raad van Bestuur willen wenden, is de vertrouwenspersoon beschikbaar.

Hierbij kan ook nog worden afgewogen dat, door de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders in voorkomende gevallen, een melder die zijn melding heeft gedaan bij een leidinggevende, niet zijnde de Raad van Bestuur, ontvankelijk wordt verklaard, ondanks dat de werkgever in zijn regeling niet iedere leidinggevende als functionaris waar het vermoeden van een misstand kan worden gemeld heeft aangewezen.

Betreft de melding het functioneren van de Raad van Bestuur, dan wordt de melding in behandeling genomen door de Raad van Toezicht.

Voor OCRN is de interne melding een belangrijk instrument om zo nodig haar verantwoordelijkheid te nemen en in te grijpen. De Raad van Bestuur dient daarom tijdig kennis te dragen van vermoedens van een misstand, zodat zij passende maatregelen kan nemen.

7.1.2. Misstand in een andere organisatie

De melding van een misstand in een andere organisatie kan naar keuze van de melder via de eigen interne procedure worden gemeld dan wel rechtstreeks bij de zorgorganisatie waarin de vermoede misstand plaatsvindt.
Voordeel van de melding via de interne procedure is dat via de interne procedure bepaald en in overleg besloten kan worden wat er met het vermoeden van de misstand in de andere organisatie moet worden gedaan. Voordeel van een rechtstreekse melding bij de andere organisatie is dat deze organisatie direct op de hoogte wordt gebracht.
 

7.1.3. Vertrouwenspersoon

De organisatie kan er ook voor kiezen een vertrouwenspersoon aan te wijzen en de melding bij hem of haar te laten plaatsvinden. Het bieden van de mogelijkheid om een vertrouwenspersoon te raadplegen, kan ertoe bijdragen dat de melding (op de juiste wijze) wordt gedaan. De onafhankelijke vertrouwenspersoon kan, naast het registreren en doorgeleiden van de melding, eventueel optreden als procesbewaker en kan een belangrijke raadgever zijn voor de melder. Zo kan de vertrouwenspersoon de melder behoeden voor procedurele fouten, samen met de melder de ernst van de melding beoordelen en de melder eventueel doorverwijzen naar andere instanties. De vertrouwenspersoon kan hierdoor een belangrijke bijdrage leveren aan de doelstelling van de regeling, dat een veilig klimaat wordt geschapen waarin meldingen van een vermoeden van een misstand gewaardeerd worden.
Voor de goede orde wordt aangegeven dat de vertrouwenspersoon niet zelf de meldingsinstantie is, niet zelf klachten behandelt, geen oordelen velt, geen uitspraken doet en geen sancties kan opleggen.
 

7.1.4. Adviseur

Met een adviseur doelt deze regeling op een persoon die uit hoofde van zijn functie geheimhouding is verschuldigd, zoals een advocaat. Deze adviseur kan de melder adviseren over de passende weg voor de melding. Bovendien kan de adviseur hem/haar wijzen op eventuele risico’s. De hier bedoelde adviseur heeft uit hoofde van zijn functie een geheimhoudingsplicht. We wijzen erop dat de melder die de door hem/haar vermoede misstand in goed vertrouwen voorlegt aan iemand zonder beroeps- of ambtsgeheim, die de misstand vervolgens in de publiciteit brengt, er rekening mee dient te houden dat hem/haar dat kan worden aangerekend. Als de zorgorganisatie ervoor kiest een ruimere omschrijving voor adviseur te hanteren dan de groep met een beroeps- of ambtsgeheim, dan is het raadzaam een geheimhoudingsplicht ter zake van het gemelde voor te schrijven.
 

7.1.5. Afdeling advies van het Huis voor Klokkenluiders

Met de invoering van de Wet Huis voor Klokkenluiders is het voor de melder mogelijk om informatie, advies of ondersteuning bij de afdeling advies van het Huis van Klokkenluiders te vragen over de te ondernemen stappen inzake het vermoeden van een misstand. Daarnaast geeft deze afdeling algemene voorlichting over het omgaan met een vermoeden van een misstand. Ook kan deze afdeling verwijzen naar bestuursorganen of diensten die zijn belast met de opsporing van strafbare feiten of met het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften.
 

8. Artikel 7: Externe melding

  1. De melder kan na het doorlopen van de procedure inzake de interne melding als bedoeld in artikel 3 en 6 een redelijk vermoeden van een misstand extern melden, indien:
    1. de melder het niet eens is met het standpunt als bedoeld in artikel 6 en van oordeel is dat het vermoeden van een misstand ten onrechte terzijde is gelegd en dit in lijn met artikel 6 lid 4 aan de Raad van Bestuur respectievelijk de Raad van Toezicht heeft laten weten;
    2. de melder het niet eens is met de wijze waarop de werkgever zich jegens de melder heeft gedragen naar aanleiding van een melding van een vermoeden van een misstand en dit in lijn met artikel 6 lid 4 aan de Raad van Bestuur respectievelijk de Raad van Toezicht heeft laten weten;
    3. de melder geen standpunt heeft ontvangen binnen de termijn(en) als bedoeld in artikel 6 leden 3 en 5.
  2. De melder kan direct een externe melding doen van een vermoeden van een misstand indien het eerst doen van een interne melding in redelijkheid niet van hem kan worden gevraagd. Dat is in ieder geval aan de orde indien dit uit enig wettelijk voorschrift voortvloeit of sprake is van:
    1. acuut gevaar, waarbij een zwaarwegend en spoedeisend maatschappelijk belang onmiddellijke externe melding noodzakelijk maakt;
    2. een redelijk vermoeden dat één of meerdere leden van de Raad van Bestuur en één of meerdere leden van de Raad van Toezicht binnen de organisatie van de werkgever bij de vermoede misstand betrokken zijn;
    3. een situatie waarin de melder in redelijkheid kan vrezen voor tegenmaatregelen als gevolg van de interne melding;
    4. een duidelijk aanwijsbare dreiging van verduistering of vernietiging van bewijsmateriaal;
    5. een eerdere melding overeenkomstig de procedure van dezelfde misstand, die de misstand niet heeft weggenomen;
    6. een wettelijke plicht tot directe externe melding.
  3. De melder kan de externe melding doen bij een externe derde. Daarbij geldt dat de melding van het vermoeden van een misstand plaats dient te vinden aan die externe derde/externe instantie die daarvoor naar redelijk oordeel het meest in aanmerking komt. De melder houdt enerzijds rekening met de effectiviteit waarmee die externe derde kan ingrijpen en anderzijds met het belang van OCRN bij een zo gering mogelijke schade als gevolg van dat ingrijpen. Onder externe derden wordt in ieder geval verstaan:
    1. een instantie die belast is met de opsporing van strafbare feiten;
    2. een instantie die is belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift;
    3. een andere daartoe bevoegde instantie waar het vermoeden van een misstand kan worden gemeld, waaronder de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders.
 

8.1. Toelichting:  Externe melding

Kenmerkend voor de klokkenluidersregeling is de mogelijkheid tot externe melding van redelijke vermoedens van illegale of immorele praktijken die plaatsvinden onder verantwoordelijkheid van de zorgorganisatie en waarbij een groot maatschappelijk belang in het geding is, aan personen of organisaties die daartegen effectief in kunnen grijpen. Hoofdregel daarbij is dat eerst de interne procedure omtrent een misstand doorlopen moet zijn. Hierop zijn in de regeling echter uitzonderingen voorzien, bijvoorbeeld in situaties waarin dit in redelijkheid niet gevergd kan worden, er acuut gevaar dreigt of wanneer op grond van de wet een meldingsplicht bestaat, zoals aan het Openbaar Ministerie.

Externe melding is gerechtvaardigd als er van een zodanig zwaarwegend maatschappelijk belang sprake is, dat het belang van OCRN bij geheimhouding daarvoor moet wijken. Het klokkenluiden kan echter grote gevolgen hebben. De zorgorganisatie kan in diskrediet worden gebracht en schade leiden. Deels is schade vaak niet te voorkomen, wel kan onnodige schade voorkomen worden. Daarom dient externe melding van het vermoeden van een misstand plaats te vinden aan die externe persoon of organisatie die daarvoor naar redelijk oordeel het meest in aanmerking komt. Dit zijn primair organisaties als de Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Arbeidsinspectie of het Openbaar Ministerie. Daarbij houdt de melder enerzijds rekening met de effectiviteit waarmee die externe derde kan ingrijpen en anderzijds het belang van de zorgorganisatie bij een zo gering mogelijke schade als gevolg van dat ingrijpen. Van de melder wordt met andere woorden verwacht dat hij proportioneel handelt.

Met de invoering van de Wet Huis voor Klokkenluiders is een Afdeling onderzoek van het Huis van Klokkenluiders ingesteld. Die ontvangt en beoordeelt ook externe meldingen. De externe melding bij een Afdeling onderzoek dient te worden gedaan door middel van een verzoekschrift en moet aan een aantal wettelijke vereisten voldoen. Verwezen wordt naar artikel 5 en artikel 6 van de Wet Huis voor Klokkenluiders. Onder andere zal de Afdeling onderzoek het verzoekschrift in beginsel niet in behandeling nemen als de melder niet eerst intern het vermoeden van een misstand heeft gemeld, tenzij dat van de melder in redelijkheid niet kan worden gevraagd.

Als het verzoekschrift in behandeling wordt genomen door de Afdeling onderzoek, dan zal deze afdeling onderzoek doen naar het vermoeden van een misstand, de wijze waarop de werkgever zich jegens de werknemer heeft gedragen naar aanleiding van een melding van een vermoeden van een misstand en een algemene aanbeveling formuleren over het omgaan met een vermoeden van een misstand.

9. Artikel 8: Rechtsbescherming melder

  1. De melder van een vermoeden van een misstand die te goeder trouw zowel in formeel als in materieel opzicht zorgvuldig handelt, wordt in zijn rechtspositie beschermd. Hieronder wordt verstaan dat de melder door of vanwege zijn of haar melding van een vermoeden van een misstand op geen enkele wijze wordt benadeeld in zijn rechtspositie jegens de zorgorganisatie;
  2. Rechtspositionele besluiten, indien en voor zover deze verband houden met de melding van een redelijk vermoeden van een misstand die in ieder geval onder de in lid 1 bedoelde rechtsbescherming vallen, zijn besluiten gericht op het:
    1. verlenen van ontslag, anders dan op eigen verzoek;
    2. tussentijds beëindigen of het niet verlengen van een tijdelijk dienstverband;
    3. niet omzetten van een tijdelijk dienstverband in een vast dienstverband;
    4. verplaatsen of overplaatsen of het weigeren van een verzoek daartoe;
    5. treffen van een disciplinaire maatregel;
    6. onthouden van salarisverhoging;
    7. onthouden van promotiekansen;
    8. afwijzen van verlof.
  3. Van formeel zorgvuldig handelen is sprake indien:
    1. de melder de desbetreffende feiten eerst intern aan de orde heeft gesteld als bedoeld in artikel 3, tenzij dat in redelijkheid niet van hem/haar kon worden gevergd zoals voorzien in deze regeling;
    2. de melder bij externe melding zoals voorzien in deze regeling de feiten op een passende en evenredige wijze bekend maakt.
  4. Van materieel zorgvuldig handelen is sprake indien:
    1. de melder een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden heeft dat de betreffende feiten juist zijn;
    2. de externe bekendmaking een maatschappelijk belang betreft als bedoeld in Artikel 1 lid 2 onder b in het geding is;
    3. het belang van externe bekendmaking in maatschappelijk opzicht prevaleert boven het belang van de zorgorganisatie bij geheimhouding.

9.1. Toelichting: Rechtsbescherming melder

De rechtsbescherming van de te goeder trouw handelende melder vormt de kern van deze regeling. Die bescherming houdt in dat deze melder op geen enkele wijze wegens de melding van een vermoeden van een misstand mag worden benadeeld in zijn of haar rechtspositie binnen OCRN.

Anonieme melding dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. Reden daarvoor is dat het niet mogelijk is de melder aldus aan te kunnen spreken en om nadere uitleg te vragen over de misstand. Ook kan aan een anonieme melder geen rechtsbescherming worden geboden vanwege zijn anonimiteit.

Deze rechtspositionele bescherming betekent overigens niet dat er geen arbeidsrechtelijke maatregelen meer kunnen worden getroffen ten aanzien van een melder. Dit mag alleen niet indien en voor zover een dergelijk besluit verband houdt met een melding van een redelijk vermoeden van een misstand.
Direct aanmelden